|
Chromosomen
De chromosomen zijn de
dragers van de erfelijke eigenschappen. Ze bepalen of we groot of
klein worden, wat onze haarkleur is en de kleur van onze ogen, hoe de
vorm is van ons gezicht, hoe makkelijk of moeilijk we kunnen leren en
veel meer. De chromosomen zijn aanwezig in elke kern van iedere cel
in ons lichaam. In de huidcellen, in de bloedcellen, in de
spiercellen, in de hersenen enzovoort. In een cel van onze pink
bijvoorbeeld zit net zo goed de informatie over onze haarkleur als in
de bloedcellen en in de haarcellen. Ook wanneer er iets fout is met
een chromosoom, dan is dat zo in elke cel van ons lichaam.
In elke lichaamscel zijn
in totaal 46 chromosomen, die men kan ordenen in 23 paren.
Een meisje heeft, naast de
22 paren ‘gewone’ chromosomen, twee X chromosomen. Een jongen
heeft behalve 22 paren ‘gewone’ chromosomen een X en een Y
chromosoom.
Bij de vorming van
zaadcellen en eicellen verdelen de chromosomen zich. In iedere
zaadcel en in iedere eicel zit van ieder paar chromosomen slechts één
exemplaar. Bij de bevruchting ontstaat daardoor een bevruchte eicel
(zygoot) met opnieuw 23 paren (van elk paar komt de ene helft van de
vader en de andere helft van de moeder).
Meisjes hebben altijd één
X van hun vader en één X van hun moeder. Jongens krijgen het Y
chromosoom van de vader en het X chromosoom van de moeder. Van de
andere paren chromosomen is er eveneens een van de vader en een van
de moeder afkomstig.
Een bevruchte eicel deelt
zich in twee cellen. Ieder van die twee cellen deelt zich weer in
twee, de vier zo ontstane cellen delen zich tot acht en zo verder. De
cellen blijven zich delen en vermeerderen en later gaan ze zich
specialiseren. Zo ontstaan embryo, moederkoek en vruchtzak en
ontwikkelt zich het kind. Bij elke celdeling maken de chromosomen een
kopie van zichzelf, zodat uiteindelijk in alle cellen van het lichaam
dezelfde chromosomen zijn.
Wanneer men in het
laboratorium de chromosomen bekijkt door een microscoop is te zien
dat ze verschillen in grootte. Met speciale technieken zijn de
afzonderlijke chromosomen in beeld te brengen. Het langste chromosoom
geeft men het nummer 1 en zo door tot nummer 22 voor het kortste
chromosoom. Van elk nummer zijn er twee exemplaren. Daarnaast zijn er
twee geslachtschromosomen; deze geeft men een letter. Met de X
geeft men het vrouwelijke geslachtschromosoom aan en met de Y
het mannelijke geslachtschromosoom.
Ideogram
De chromosomen vertonen
een insnoering (het centromeer). Aan weerszijden hiervan ziet men een
korte ‘p’ arm (p is afgeleid van het franse ‘petit’) en een
lange ‘q’ arm (q is de letter na de p in het alfabet). Door een
speciale kleuring zijn bandjes op de chromosomen te zien.
Internationaal zijn er afspraken gemaakt over de nummering van
deze bandjes. Daardoor is de medische schrijfwijze van
chromosoomafwijkingen over de hele wereld hetzelfde. De schematische
weergave van een chromosoom met de verschillende bandjes noemt men
het ideogram.
De figuur geeft het
‘ideogram’ van chromosoom 10.
Samenvatting: chromosomen
-
Chromosomen bevinden
zich in alle cellen van het lichaam.
-
Chromosomen bestaan
uit een korte (p) en lange (q) arm.
-
Na kleuring laten
chromosomen een streepjespatroon zien.
-
Normaal bevinden zich
in elke cel 46 chromosomen.
-
De chromosomen zijn
verdeeld in 23 paren.
-
Van elk paar komt
steeds één chromosoom van moeder en één chromosoom van vader.
Erfelijke informatie
De chromosomen bevatten
alle erfelijke informatie. Men schat dat er op de chromosomen
ongeveer 30.000 genen (erfelijke codes) liggen. Terwijl chromosomen
goed bestudeerd kunnen worden door een microscoop, kunnen de genen op
deze manier niet gezien worden. Door een microscoop is dus niet te
zien of iemand blauwe of bruine ogen heeft, terwijl dit toch ergens
op de chromosomen gecodeerd ligt.
Al onze erfelijke of
genetische informatie is in elke lichaamscel aanwezig. Een
ingewikkeld en verfijnd regelmechanisme zorgt ervoor dat in iedere
cel alleen die informatie wordt gebruikt die nodig is voor het
functioneren van die cel op dát moment en op die bepaalde plek in
ons lichaam. Voor de vorm van de pink is het bijvoorbeeld niet
belangrijk dat we rood of bruin haar hebben en voor de werking van de
nieren maakt de kleur van onze ogen niet uit.
Bekijkt men de chromosomen
via een sterk vergrotende elektronenmicroscoop, dan is te zien dat
het DNA, waaruit de chromosomen bestaan, heel sterk ingerold en
gevouwen is. Het zijn in feite meterslange strengen. De vier
chemische bouwstenen van het DNA worden voorgesteld door letters (A,
C, G en T). De volgorde van die letters is onze erfelijke code. Men
schat dat de 46 chromosomen uit ongeveer zes miljard van deze letters
bestaan. Drie van deze ‘letters’ bij elkaar noemt men een
triplet, bijvoorbeeld ACC, CGA of CCT enzovoort. Een serie van deze
tripletten bevat de code (=het gen) voor de aanmaak van (een stukje
van) een eiwit. Deze eiwitten zijn verantwoordelijk voor vrijwel alle
processen in het lichaam.
(Foto: Quint)
Verandering in aantal
of in vorm
Chromosomenonderzoek
begint met het afnemen van lichaamsmateriaal dat cellen bevat.
Meestal gebruikt men hiervoor witte bloedcellen en soms huidcellen.
De afgenomen cellen worden overgebracht in een flesje met
kweekmedium met voedingsstoffen voor de cellen. Bij een temperatuur
van 37*C laat men de cellen delen. Daarna worden verschillende
stoffen aan de cellen toegevoegd om de chromosomen goed zichtbaar te
krijgen. De cellen worden op microscoopglaasjes gebracht en na
kleuring kunnen de chromosomen onder de microscoop bekeken worden.
afwijkingen in het
aantal
Wanneer er van een
van de chromosomen drie exemplaren zijn in plaats van twee, dan noemt
men dit een trisomie.
Het meest voorkomend is een trisomie van chromosoom 21 of een
trisomie van de geslachtschromosomen (bijvoorbeeld XXX, XXY of XYY).
Ook een trisomie van chromosoom 13 of 18 kan voorkomen, maar dit is
veel zeldzamer. Is er een trisomie van een van de andere chromosomen,
dan leidt dit meestal tot een spontane miskraam.
Is er van een van de
chromosomen slechts één exemplaar aanwezig in plaats van twee, dan
heet dit monosomie.
Een monosomie in alle cellen van het lichaam is meestal niet
levensvatbaar, met uitzondering van een monosomie voor het X
chromosoom (Turner syndroom).
Is er slechts in een
deel van de cellen een afwijkend aantal chromosomen aanwezig dan
noemt men dit een mozaïek patroon.
Het kan bij een mozaïek patroon gaan om een chromosoom te veel
(bijvoorbeeld mozaïek trisomie 13) of om een chromosoom te weinig
(bijvoorbeeld mozaïek Turner).
Een mozaïek patroon kan
op twee manieren ontstaan. Het kan gebeuren dat er bij de
bevruchting een trisomie is en dat deze bij een van de verdere
delingen verdwijnt. Het kan ook zijn dat er bij de bevruchting geen
afwijkend aantal chromosomen is, maar dat in een van de delingen na
de bevruchting een cel met een chromosoom te veel of te weinig
ontstaat.
In beide situaties is het
resultaat dat er cellijnen zijn met een normaal aantal chromosomen,
naast cellijnen met een afwijkend aantal chromosomen. De verhouding
tussen normale en afwijkende cellen is afhankelijk van het moment in
de zwangerschap dat dit gebeurt.
Bij een mozaïek trisomie
13 bijvoorbeeld is ‘slechts’ in een deel van de cellen een extra
chromosoom 13 aanwezig. De hoeveelheid afwijkende cellen en de
verdeling van deze afwijkende cellen in het lichaam bepalen hoeveel
‘last’ een kind hiervan heeft. Lang niet alle kenmerken van een
volledige trisomie hoeven bij een kind met mozaïek trisomie aanwezig
te zijn.
afwijkingen in de vorm
Ontbreekt er een
stuk van een chromosoom dan noemt men dit meestal een deletie.
Dan is een deel van de erfelijke informatie van het betreffende
chromosomenpaar slechts op één chromosoom aanwezig. Daarom
wordt ook wel de term partiële
monosomie gebruikt.
Een deletie kan relatief
nauwkeurig beschreven worden door aan te geven welke bandjes van een
chromosoom ontbreken. Bijvoorbeeld bij een deletie (4) (p15-pter)
ontbreekt van de korte arm (p) van chromosoom 4 het stukje vanaf
bandje 15 tot het uiteinde van het chromosoom (ter = terminaal).
Dit wordt ook wel korter opgeschreven als del(4)(p15).
Deleties bevinden zich
meestal aan de uiteinden van chromosomen, maar kunnen ook midden in
een chromosoom (interstitieel) voorkomen. Bijvoorbeeld
del(7)(q22q36) betekent dat van de lange arm van chromosoom 7
het stuk tussen band q22 en band q36 ontbreekt.
Bij een duplicatie
is er een stuk chromosoom te veel aanwezig. Omdat daardoor een deel
van de erfelijke informatie van een chromosoom in drievoud aanwezig
is, wordt ook wel gesproken van een partiële
trisomie. Bij een duplicatie vinden we
aan een chromosoom een stukje extra chromosoom materiaal. Dit kan
van het betreffende chromosoom zelf afkomstig zijn, of het kan van
een ander chromosoom komen (dit heet translocatie, hierover later
meer). Soms is er sprake van een verdubbeling binnen hetzelfde
chromosoom waarbij het verdubbelde stuk omgekeerd (op zijn kop)
aanwezig is. Dit noemt men een inversie
duplicatie.
Soms is er los van
de 46 normale chromosomen een klein stukje chromosoom extra. Dit
noemt men een marker.
Ook als er een marker is, is er een teveel aan erfelijke informatie.
De herkomst van de marker is echter niet altijd te achterhalen.
Een ringchromosoom
kan ontstaan als van beide uiteinden van een chromosoom een stukje
afbreekt, waarna de uiteinden versmelten. Er heeft dan als het ware
een verkeerde reparatie plaatsgevonden. Bij een ringchromosoom
ontbreekt dus ook erfelijke informatie (deletie van de uiteinden van
de korte en de lange arm). Bovendien kan een ringchromosoom moeite
hebben bij de celdeling. Hierdoor kunnen cellen ontstaan waarin het
ringchromosoom ontbreekt (mozaïek monosomie).
Een translocatie
is een verplaatsing. Bij een ‘reciproke translocatie’ zijn er
stukken chromosoom op een andere plaats terechtgekomen. Bij een
translocatie (11;22) bijvoorbeeld is een stukje van een van de
chromosomen 11 naar chromosoom 22 gegaan en omgekeerd een stukje van
chromosoom 22 naar 11. Het resultaat hiervan is dat er één normaal
chromosoom 22 is en dat het tweede chromosoom 22 een stukje van 11
heeft en een stukje van 22 mist. Ook is er één normaal chromosoom
11 en een tweede chromosoom 11 met een stukje van 22 en een
ontbrekend stukje 11. Men noemt zo'n translocatie gebalanceerd.
Een gebalanceerde
translocatie heeft geen gevolgen voor de gezondheid van de
drager. Immers alle erfelijke informatie is in tweevoud aanwezig,
zoals het hoort. Er is op het totaal niets weg of niets te veel, het
is alleen wat anders gerangschikt.
Bij de ei of
zaadcelvorming kunnen echter problemen ontstaan met de verdeling van
de chromosomen 11 en 22 over de geslachtscellen. Het kind kan dan
materiaal te veel of te weinig krijgen van chromosoom 11 en/of 22.
Het kind heeft dan een ongebalanceerde
translocatie.
Een ongebalanceerde
translocatie kan aanleiding geven tot een spontane miskraam of tot
de geboorte van een kind met aangeboren afwijkingen. Er zijn veel
verschillende translocaties mogelijk.
Samenvatting:
Chromosoomafwijkingen
trisomie drie
dezelfde chromosomen
monosomie ontbreken
van een chromosoom
mozaïek afwijkend
aantal in een deel van de cellen
marker stukje extra van bekende of onbekende herkomst
deletie stukje
ontbreekt
duplicatie stukje
teveel
inversie omkering
ring uiteinden
versmolten
gebalanceerd geen
gevolgen voor eigen gezondheid
ongebalanceerd miskraam
of aangeboren afwijkingen
De gevolgen
De gevolgen van een
verandering in het aantal of de vorm van de chromosomen kunnen erg
uiteen lopen. Vrijwel altijd zijn er beperkingen in de ontwikkeling
van het kind. Deze kunnen variëren van milde problemen bij het leren
tot niet leren lopen of praten. Ook kan een chromosoomverandering
leiden tot aangeboren afwijkingen van bijvoorbeeld hart, nieren,
ogen, oren of hersenen. Vaak gaat een chromosoomverandering gepaard
met een aantal lichamelijke kenmerken; een bepaalde vorm van het
gezicht, een afwijkende stand van de ogen, een kenmerkende vorm van
de oren, van de neus of van de mond, afwijkingen aan de handen of de
voeten enzovoort.
De aard en de ernst van de
problemen bij een chromosoomverandering hangen onder andere af van
het antwoord op de volgende vragen:
-
Hoeveel erfelijk
materiaal is er te veel of te weinig?
-
Welk stuk chromosoom
is er te veel of te weinig aanwezig?
-
Bij een mozaïek: in
hoeveel cellen en in welke cellen komt het afwijkend chromosoom
patroon voor?
-
Hoe is de functie van
de erfelijke eigenschappen op de andere chromosomen?

Kinderen met Down syndroom
bijvoorbeeld hebben allemaal dezelfde chromosoomafwijking (trisomie
21). Toch zijn deze kinderen individueel heel verschillend. Het Down
syndroom komt relatief vaak voor. Per jaar worden in Nederland bijna
200 kinderen met Down syndroom geboren. Daardoor is redelijk goed
bekend wat de sterke en zwakke kanten zijn in de ontwikkeling van een
kind met trisomie 21. Bovendien is er een goed beeld van de
lichamelijke consequenties. Al leert men ook hier natuurlijk
voortdurend bij.
Voor de meeste andere
chromosoomaandoeningen ligt dat een stuk moeilijker. Er kan dan
hooguit op basis van gegevens uit de internationale (vooral medische)
literatuur een voorzichtige voorspelling gedaan worden. Hoe meer er
bekend is over de ‘normale ontwikkeling’ van kinderen met
een bepaalde chromosoomaandoening, des te beter kunnen ouders worden
ingelicht. Helaas is dit soort onderzoek nog erg schaars. Daardoor
zijn de beschikbare gegevens beperkt is het des te belangrijker
om de ontwikkeling van het kind actief te volgen.
|